Tekst Ruben Murk en Menno Groenewegen

Samen met de politie hebben we in de afgelopen twee jaar een glasdatabank opgezet, waarmee glassplinters kunnen worden gelinkt aan verdachten en delicten. En niet zonder succes; inmiddels konden verdachten in drie zaken in verband worden gebracht met oudere zaken.

De databank bevat zo’n honderdvijftig glassplinters uit zo’n vijftig verschillende zaken. We komen heel vaak tegen dat in kleding van verdachten glassplinters zitten die van verschillende plaatsen delict afkomstig kunnen zijn. De splinters matchen dan met een ruit op een bepaalde plaats delict, maar er zijn ook nog splinters van andere glasbronnen die mogelijk van eerdere delicten zijn.

Glassplinters zijn een bron van informatie.

Unieke samenstelling

Maar hoe kunnen glassplinters van elkaar onderscheiden worden? Ieder glas heeft een unieke samenstelling van grondstoffen, hoewel de verschillen soms maar minimaal zijn. Dat zijn verontreinigingen in de grondstoffen waarvan sommige fabrikanten niet eens weten dat die erin zitten. Het gaat om zulke kleine concentraties die de fabrikant niet meer controleert.

Die onderscheidende kenmerken verschillen per glas, maar ook binnen het productieproces kunnen die verschillen. Van elk stukje glas wordt de concentratie gemeten van twintig elementen, een soort chemische vingerafdruk van het materiaal.

Hierdoor ontstaat een stofwolk die naar een plasma wordt geleid van wel 8000 graden.

Voor dat onderzoek gebruiken de onderzoekers apparatuur met de naam LA-ICMPS. Dat apparaat schiet met een UV-laser ongeveer 25 seconden lang op de soms minuscule glasdeeltjes. Hierdoor ontstaat een stofwolk die naar een plasma wordt geleid van wel 8000 graden. Dat is even warm als op het zonoppervlak. De stofwolk valt daardoor uiteen tot op atomair niveau, de allerkleinste deeltjes.

Een massafilter vergelijkt de verhoudingen in het glas en dat wordt weer vergeleken met het glas op een plaats delict of met het glas waarvan de gegevens zijn opgeslagen in de glasdatabank.

Zwembad

Het is volgens onze glasonderzoekers een misvatting dat het geen zin heeft om kleding in te sturen omdat er geen glas zichtbaar is. Het glas kan er weldegelijk zitten. Het kleinste glasdeeltje dat te meten is is ongeveer een tiende millimeter. Als dat in kleding zit is dat niet met het blote oog te zien.

De kleding wordt uitgeklopt en onder een microscoop worden de glasdeeltjes uit het stof gehaald. De apparatuur die glassplinters van een tiende millimeter kan analyseren, is ruim een jaar geleden in gebruik genomen. Met deze apparatuur kunnen we een concentratie van een element in het glasplintertje meten die te vergelijken is met een theelepeltje suiker in een 25 meter zwembad.