Tekst Ruben Murk

(Artikel uit @NFI nr. 19, januari 2017) 

Hoogleraar Criminalistiek Charles Berger denkt dat rechterlijke dwalingen vaker kunnen worden voorkomen door een betere waarheidsvinding. Hij wil zich daarom niet alleen richten op de vooruitgang van de forensische wetenschap, maar ook op het verbeteren van het redeneren met bewijs door juristen. Zijn oratie is op 3 februari.

“Vaak gaat er in deze zaken iets mis met de interpretatie van bewijs, zoals sporenonderzoek, ooggetuigen of het verhaal van de verdachte.”

Zo min mogelijk schuldigen ongestraft laten rondlopen. Dat is één van de belangrijkste doelen van het Nederlandse juridische systeem. Maar het omgekeerde is natuurlijk minstens zo belangrijk: zo min mogelijk onschuldigen straffen. Die twee doelen zijn meestal communicerende vaten: door de lat hoger te leggen zullen minder onschuldigen veroordeeld worden, maar ook meer schuldigen vrijgesproken worden. De enige manier om winst te boeken op beide doelstellingen is om de waarheidsvinding te verbeteren.

Interpretatie

“Vaak gaat er in deze zaken iets mis met de interpretatie van bewijs, zoals sporenonderzoek, ooggetuigen of het verhaal van de verdachte”, zegt Charles Berger. Hij aanvaardt op 3 februari zijn hernieuwde aanstelling als hoogleraar op de bijzondere leerstoel Criminalistiek, gefinancierd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). “In de forensische wetenschap kunnen we steeds meer, maar voor vooruitgang in de praktijk zullen ook juristen zelf meer kennis moeten krijgen van de wetenschappelijke basisprincipes van de waarheidsvinding.”

In zijn oratie maakt Berger duidelijk wat de basisprincipes zijn bij het interpreteren van bewijs en laat hij zien hoe rechercheurs en juristen tot een optimaal geïnformeerd rationeel oordeel kunnen komen. Zij kunnen bijvoorbeeld tunnelvisie vermijden door meerdere relevante hypothesen te overwegen, óók in de opsporingsfase waarin er nog geen verdediging is die zich hard maakt voor de belangen van een verdachte. Was de verdachte degene die het slachtoffer wurgde, of is zijn DNA-materiaal op een andere wijze op de plaats delict terechtgekomen? Door te werken met zulke hypothesen kan het forensisch onderzoek ook veel effectiever bijdragen aan de waarheidsvinding in de zaak.

Contextuele bias en objectivering

In strafrechtelijk onderzoek moet bias door contextuele informatie volgens de hoogleraar zo goed mogelijk worden vermeden. “Een forensisch onderzoeker kan beter niet weten of een verdachte heeft bekend. De bekentenis heeft wel invloed op de waarschijnlijkheid van de hypothesen, maar niet op de bewijskracht van het onderzochte materiaal.” Om ongewenste invloed te voorkomen kan een eerste deskundige een zaakdossier bestuderen en vervolgens alleen die informatie doorspelen die relevant is voor de taak van een tweede deskundige. Ook is veel vooruitgang geboekt in de objectivering: het ontwikkelen van automatische methoden voor het vergelijkend onderzoek aan bijvoorbeeld handtekeningen, vingersporen en brandversnellende middelen.

"Politie en juristen moeten in staat worden gesteld om meer kennis te verkrijgen om de forensische rapporten optimaal te gebruiken"

Onderzoek op activiteitniveau

“Veel forensisch onderzoek richt zich op de vraag wie of wat een bepaald spoor achterliet. Dat is eigenlijk vreemd, want het achterlaten van een spoor is niet strafbaar. In de praktijk is de hamvraag meestal of de verdachte een bepaalde strafbare handeling heeft verricht of niet. Voor het beantwoorden van zo’n vraag spelen meer factoren een rol en is meer deskundigheid en informatie vereist.” Omdat de activiteitsvraag relevanter kan zijn voor een zaak dan vragen over de bron van een spoor, is dit volgens Berger een belangrijke uitdaging voor het forensisch onderzoek in de komende jaren. “Interpretatie van bewijs op dit zogenoemde activiteitniveau biedt ook belangrijke mogelijkheden voor het combineren van bewijs.”

Kennisoverdracht

Volgens Berger is de afgelopen jaren wetenschappelijke vooruitgang geboekt op al deze vlakken en moet die vooruitgang nu zijn weerslag vinden in de kwaliteit van het zakenonderzoek en in de kennis van de lezers van de deskundigenrapporten. “Ik heb de laatste jaren veel energie gestoken in kennisoverdracht richting politie en juristen. Zij moeten in staat worden gesteld om meer kennis te verkrijgen om de forensische rapporten optimaal te gebruiken. Daarin kunnen universiteiten een belangrijke rol spelen. Het is opmerkelijk dat praktiserende juristen momenteel meer onderwijs krijgen over waarheidsvinding dan juristen in opleiding.”

Bron: Universiteit Leiden