Tekst Ruben Murk

(Artikel uit @NFI nr. 23, september 2017)

In volle vaart ramt een auto diep in de nacht de pui van een juwelierszaak. De daders stappen naar binnen, slaan verschillende vitrines kapot en maken tientallen juwelen en sieraden buit. Buiten staat een vluchtauto klaar, waarmee de daders zich uit de voeten maken. 

De auto die is gebruikt voor de ramkraak, is een van de stille getuigen van het misdrijf. Mogelijk hebben de daders DNA-sporen achtergelaten. Maar wat zijn dan de meest kansrijke plekken om te bemonsteren?

Dat is precies de vraag die Tialda de Wolff, forensisch recherchekundige in opleiding, zich stelt bij het onderzoek dat zij bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitvoert. En dus riep ze collega’s – uiteraard met een auto - op om mee te werken aan het onderzoek. Voor het onderzoek werkt ze samen met wetenschappelijk onderzoeker Matthijs Zuidberg en forensisch DNA-deskundigen Bas Kokshoorn en Bart Aarts.

"We willen kijken wat een bestuurder aan DNA achterlaat als hij een voertuig maar heel kort bestuurt"

Bemonsteringen

“We zijn in september gestart met het onderzoek ‘Prevalentie van DNA in voertuigen’. Hierin werken het NFI en de politie samen om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van DNA van een bestuurder en bijrijder in een voertuig. Ook wordt onderzocht hoe lang het DNA van bestuurders en passagiers in de auto aanwezig blijft”, vertelt De Wolff.

De uitkomsten van het onderzoek kunnen helpen om de meest kansrijke plaatsen in een voertuig te bemonsteren voor een DNA-onderzoek. Ook helpen de resultaten om vragen op ‘activiteitniveau’ te beantwoorden, verwacht de forensisch recherchekundige. Bij activiteitniveau kijken deskundigen niet alleen of er sporen zijn, maar ook wat die sporen kunnen vertellen over wat op een plaats delict mogelijk is gebeurd.

Experimenten

De Wolff gaat een aantal verschillende experimenten uitvoeren. “Eerst willen we voertuigen die regelmatig worden gebruikt op meerdere plekken bemonsteren. Daarnaast willen we kijken wat een bestuurder aan DNA achterlaat als hij een voertuig maar heel kort bestuurt. Voor de experimenten hebben we collega’s gevraagd met een eigen auto”, licht De Wolff de proeven toe.

De experimenten kosten de vrijwilligers weinig tijd. “Het gaat voornamelijk om het beschikbaar stellen van hun auto voor de DNA-bemonsteringen. Dit doen we gewoon tijdens werktijd. Een aantal vrijwilligers vragen we een paar keer een korte tijd in een auto te rijden of iemand anders in hun auto te laten rijden.”

DNA afstaan

De deelnemers moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. “Zo moeten ze minimaal drie keer per week met de auto naar het NFI komen, de hoofdbestuurder zijn, maar ook bereid zijn om DNA af te staan voor vergelijkend onderzoek.”
Het onderzoek van De Wolff, Zuidberg, Kokshoorn en Aarts neemt de komende maanden in beslag. De resultaten ervan verwachten ze op z’n vroegst komend voorjaar te kunnen presenteren.