Tekst Meike Willebrands
Foto Meike Willebrands en NFI beeldbank

Grond onder schoenen, op scheppen, kleding of auto’s speelt regelmatig een rol in strafzaken. Het deskundigheidsgebied Niet Humane Biologische Sporen van het NFI kan OM en politie bijvoorbeeld helpen om een verdachte aan een locatie te koppelen door vergelijkend grondonderzoek. Grond heeft al in meerdere zaken een dader helpen ontmaskeren, van inbraak tot moord.

Vergelijkend grondonderzoek is vaak niet het eerste spoor dat de politie uitloopt in strafzaken. In het begin van een onderzoek richt de zoektocht zich meestal op personen en speelt bijvoorbeeld humaan DNA een sleutelrol. Als een verdachte eenmaal in beeld is, kan het deskundigheidsgebied Niet Humane Biologische Sporen van betekenis zijn om personen aan locaties te koppelen.

Complex mengsel

NHBS werkt aan gemiddeld vijftien vergelijkend grondonderzoeken per jaar. Grond kan in vele zaken van betekenis zijn. De relevantie is afhankelijk van de overige sporen en de vraag. “Grond is forensisch erg interessant. Het is een complex mengsel van verschillende soorten sporen. Wij gebruiken drie verschillende bestanddelen van grond om vergelijkingen te maken tussen een spoor en relevante locaties”, vertelt NHBS-deskundige Stefan Uitdehaag. 

“Grond is forensisch erg interessant. Het is een complex mengsel van verschillende sporen. Wij gebruiken drie bestanddelen van grond om vergelijkingen te maken tussen een spoor en locaties”

De deskundigen kijken naar elementen, stuifmeelkorrels en het microbioom (bacteriën) van grond. Die drie bestanddelen meten ze van sporen en vergelijken ze vervolgens met grond van de plaats delict. “Als we overeenkomsten zien tussen een spoor en monsters van een locatie zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat het van dezelfde locatie is”, licht Uitdehaag toe. Voor de drie technieken hebben de deskundigen een aparte database waar ze vele monsters in hebben opgenomen en nog altijd opnemen. De deskundigen hebben deels zelf de Nederlandse bodem bemonsterd en een deel wordt door studenten van de politieacademie aangeleverd voor hun cursus over grondonderzoek.

Geen 100% match

De gronddatabase is bedoeld om in kaart te brengen welke resultaten je kunt verwachten bij monsters die van dezelfde locatie afkomstig zijn en welke resultaten je kunt verwachten bij monsters die van verschillende locaties afkomstig zijn. “Net zoals bij veel andere methoden levert een grondvergelijking geen 100% match op”, zegt Aleksandar Dragutinovic. “De variatie is groot. We zijn daarom ook geïnteresseerd in de variatie die je meet als je grondmonsters vergelijkt van dezelfde locatie. Als je in een zaak een bepaalde mate van overeenkomst vindt, wil je kijken waar die het beste bij past: variatie binnen locaties of tussen locaties. Daarnaast beoordelen wij als deskundigen of er omstandigheden zijn in de zaak die tot meer of minder verschil kunnen leiden, zoals rotting of mengsels. ”

Een voorbeeld van een zaak waarin de deskundigen vergelijkend grondonderzoek hebben gedaan, is een moordzaak uit 2012 die in 2018 onherroepelijk is geworden. Het slachtoffer is levenloos gevonden in een greppel. Vrij snel heeft de politie een verdachte aangehouden, onder zijn schoen zat een grote hoeveelheid klei. De deskundigen van NHBS hebben de klei vergeleken met de vindplaats van het slachtoffer. Daar kwam na gebruik van de database uit dat de overeenkomst beter paste bij grondmonsters van dezelfde locatie en minder paste bij grondmonsters van verschillende locaties.

Verschillende bemonsteringen

“De verdachte gaf steeds interessante verklaringen”, vertelt één van de deskundigen. “Hij zou in de omgeving zijn geweest om te wandelen met zijn hond. Daarop zijn wij naar de locatie gegaan om daar verschillende monsters te nemen op de route die hij gelopen zou hebben.” Door verschillende bemonsteringen te nemen, proberen ze de variatie binnen de locatie te vangen. De samenstelling van de klei leek het meest op de grond bij de vindplaats van het slachtoffer. “Al snel vulde de verdachte zijn verklaring aan. Hij zei dat hij inderdaad op de locatie van het misdrijf was geweest, maar dan een dag eerder.”

Een relevante vraag die daarop volgt, is hoe waarschijnlijk is het dat zo’n plakkaat klei onder je schoen blijft zitten als je zoveel gewandeld hebt als de verdachte beweert? De deskundigen leggen uit dat dan meetelt dat de verdachte is aangehouden met zijn schoenen aan een paar uur na het delict. Ze wegen hoe waarschijnlijk het is om zoveel klei onder de schoen aan te treffen onder beide scenario’s. “Wij hebben in ons rapport geconcludeerd dat het sporenbeeld waarschijnlijker is onder het scenario van het OM en de politie dan onder het alternatieve scenario van de verdachte”, aldus Uitdehaag.

“De ene techniek is veel variabeler en gevoeliger dan de andere. Bacteriën kunnen binnen een meter al heel verschillend zijn"

Beter inzicht

In 2018 is NHBS een R&D project gestart om de drie databases voor de drie onderzoekstechnieken voor grond meer gelijk te trekken. “Die hebben we los van elkaar ontwikkeld en gevalideerd. We kijken nu of we daar meer één database van kunnen maken om beter inzicht te krijgen in hoe de technieken zich tot elkaar verhouden”, vertelt Dragutinovic. Zijn collega Frederike Quaak vult aan: “De ene techniek is veel variabeler en gevoeliger dan de andere. Bacteriën kunnen binnen een meter al heel verschillend zijn. Er moet maar net een hond geplast hebben. Als we in de voortuin van het NFI vier monsters nemen en met alle drie de technieken onderzoeken, wat zien we dan? Lijkt het met alle technieken op elkaar of juist niet?”

In de genoemde moordzaak was de route langs de weg vrij homogeen, maar zodra de deskundigen van de weg afgingen om te bemonsteren, werd de bodem heel divers. Uitdehaag: “Ingewikkeld daaraan is dat wat je als plaats delict wilt beschrijven in een zaak niet altijd overeenkomt met wat je kunt onderscheiden met je techniek.” Daarom kijken deskundigen in hun achtergrondonderzoek zelf op verschillende plekken naar monsters waarvan ze precies weten hoe ver die van elkaar afliggen. Als dan blijkt dat het met de ene techniek heel erg op elkaar lijkt en met de andere juist niet, proberen ze op basis van overige informatie die ze hebben te beredeneren waar dat aan ligt.

Grondonderzoek objectiveren

Elk land binnen Europa heeft eigen technieken voor vergelijkend grondonderzoek. Nederland is vrij homogeen en kent weinig variatie. Dat vraagt om andere methoden dan landen die veel verschillende aardlagen en gesteentes hebben. Dragutinovic: “Wat ons onderscheidt van andere landen is dat het NFI het grondonderzoek probeert te objectiveren. Daar zijn onze databases en methodes op gericht. De wetenschappelijke onderbouwing van grondonderzoek is nu actueel, daar wordt de laatste jaren sterk op ingezet.”

Aleksandar Dragutinovic en Stefan Uitdehaag

De deskundigen van het NFI werken sinds vorig jaar met andere grondonderzoekers van forensische instituten binnen Europa (ENFSI) aan aanbevelingen voor vergelijkend grondonderzoek. Het doel daarvan is om grondonderzoek binnen Europa op een hoger niveau te krijgen. De zogeheten  ‘best practice manual’ is bedoeld om zicht te krijgen op hoe andere landen werken, om van elkaar te leren en de neuzen meer dezelfde kant op te krijgen. De ‘best practice manual’ zal nog dit jaar afgerond worden.