Tekst Meike Willebrands

Mike Groen (forensisch archeoloog, NFI) en Jitteke Struik (team Bijzondere Zoekingen, politie) werken samen bij vermissingen waarbij het vermoeden bestaat dat iemand begraven is. Als de politie een zoekgebied op het oog heeft, komt Groen om te assisteren en als er een lichaam gevonden wordt om te graven. Ook zoekt hij tijdens de opgraving naar sporen die iets over de toedracht kunnen verraden. Maar als het aan dit duo ligt, komt de forensisch archeoloog al veel eerder in het politieonderzoek in beeld om de kans op een succesvolle zoeking te vergroten.

In hun zoektocht naar vermiste personen komen Struik en Groen elkaar doorgaans tegen in een bos of op een verlaten terrein waar mogelijk een lichaam onder de grond ligt. Struik houdt zich bezig met ‘bijzondere zoekingen’. Als haar team de opdracht krijgt om ergens te zoeken, bellen ze een van de forensisch archeologen van het NFI om te komen assisteren. Dat kan anders, vindt het tweetal. “Het beeld is vaak dat een forensisch archeoloog alleen opgraaft, maar wij kunnen zijn expertise al eerder in het zoekproces gebruiken”, vertelt Struik. “Als wij een verstoring waarnemen met de grondradar, hebben wij hem eigenlijk al nodig om te bespreken hoe wij de verstoring het beste kunnen onderzoeken.”

“Een methode die in Groningen werkt, werkt niet in Zeeland. Het is niet één trucje dat je simpelweg kunt leren. Het is complexe materie"

Waterlijken

Het team Bijzondere Zoekingen speurt ook naar lichamen in het water. Om die zoekingen zo effectief mogelijk te maken, is het Landelijk Team Onderwater Zoekingen (LTOZ) opgericht. Als er sprake is van een zoeking in het water, komen allerlei specialisten samen om te kijken wie wat kan betekenen. “Wij hebben technische middelen zoals sonarapparatuur en onderwaterrobots”, laat Struik weten. “Maar ook specialisten van de SSD (speurhonden) en DSI (forensische duikers) zijn waardevolle partners in de zoektocht naar waterlijken.”

Bij vermissingen op het land bestaat zo’n team nog niet. Toch is het goed om meer samen op te trekken met de begeleiders van de specialistische speurhonden en het NFI, benadrukt Struik. Ook Groen erkent dat een intensievere samenwerking kansen biedt. Hij kan met behulp van kaartmateriaal en databases tot op zekere hoogte voorspellen of zoeken op een specifieke locatie wel zin heeft. Door vooronderzoek te doen, iets wat gebruikelijk is binnen de archeologie, kan hij informatie geven over een potentieel zoekgebied waardoor dat soms op voorhand al uitgesloten kan worden en zo politiecapaciteit kan besparen.

Bodemverstoringen en planten

Groen weet als archeoloog hoe hij naar de grond moet kijken. Zijn expertise is vooral kennis van bodemkunde en van zoek- en opgravingsmethodieken. “De Nederlandse bodem is heel divers”, legt hij uit. “Een methode die in Groningen werkt, werkt niet in Zeeland. Het is niet één trucje dat je simpelweg kunt leren. Het is complexe materie.” Sommige apparaten werken niet bij bepaalde bodemsoorten. Ook speurhonden en de grondradar hebben hun beperkingen. “Als je in Zeeland gaat zoeken in kleigrond, kun je wel een bepaalde zoekmethode gebruiken, maar weet je dat je de uitkomsten waarschijnlijk anders moet interpreteren dan bij een zoeking op de Veluwe. Daar kunnen wij als zoekteam van tevoren rekening mee houden.” Bij oudere zaken moet Groen soms de bovenlaag van de grond afgegraven om te kunnen zien of daar ooit gegraven is of niet. Dat is dan de enige betrouwbare manier om een begraven persoon te vinden.

Forensich archeloog Mike Groen

Speurhonden gespecialiseerd in menselijke ontbindingsgeur zijn nog altijd de meest kansrijke ‘tool’ om begraven lichamen te vinden. Ook diep onder de grond. Maar in de winter, als de grond bevroren is, kan dat lastig zijn omdat de kou het vrijkomen van de ontbindingsgeur beperkt. “Het is belangrijk om te weten wanneer welke middelen het beste ingezet kunnen worden”, vertelt Groen. Hetzelfde geldt voor cold cases. Als een lichaam in een verre staat van ontbinding verkeert en er slechts botten over zijn, ruiken de speurhonden vaak niets waardoor je andere middelen moet inzetten.

Toedracht misdrijf reconstrueren

Groen doet ook onderzoek naar de datering van een graf. En of skeletresten menselijk of dierlijk zijn. Hij probeert aan de hand van het sporenbeeld de toedracht van het misdrijf te reconstrueren. “Bijvoorbeeld in samenwerking met collega’s van de afdeling NHBS (Niet Humane Biologische Sporen) van het NFI. Zij kunnen aanvullend herkomstonderzoek doen naar planten, grondsoorten en pollen die bij een graf voorkomen.” Een plant kan interessant zijn om te bepalen hoe oud een graf is. Hoe lang geleden is die plant daar gaan groeien? Waar komt die vandaan? Een blad in een bos dat daar duidelijk niet thuis hoort, neemt de forensisch archeoloog ook mee voor vervolgonderzoek.

"Wij hebben meer tijd en ruimte voor het ontwikkelen van nieuwe methodieken. Het past ook bij onze rol als NFI”

Hoe een graf gegraven is, kan ook veelzeggend zijn. De positie van een lichaam in een kuil zegt iets over de handelingen. Forensisch archeologen denken per definitie op ‘activiteitniveau’, hóe iets gebeurd kan zijn. Daar gebruiken ze handige modellen voor. Groen houdt zich in zijn werk voor een belangrijk deel bezig met het ontwikkelen van nieuwe methodieken. Hij bedenkt trajecten die het NFI kan opzetten om die methodes te valideren. “Wij hebben daar meer tijd en ruimte voor dan de politie. Het past ook bij onze rol als NFI.” Zo maakt de forensische archeologie gebruik van methodieken uit de criminologie en criminalistiek om te begrijpen hoe mensen zich gedragen. Groen zet dat in bij zaakonderzoek, bijvoorbeeld bij de vraag waar mensen mogelijk een lichaam zouden dumpen.

Gedragspatronen

Gedrag is niet altijd uniek, is Groen zijn ervaring in zaken. Bij de diepte van een graf en de vorm van kuilen ziet hij patronen terugkomen. Een strak gegraven kuil waar een lichaam keurig in ligt, zegt iets anders dan een snel gegraven kuil waar iemand gedraaid in ligt. Daar kunnen gedragsdeskundigen iets mee. Dat soort patronen legt de forensisch archeoloog vast en kunnen andere deskundigen duiden. Op het NFI zijn de begravingen vanaf 1960 in kaart gebracht en in een database geregistreerd. Dat zijn in totaal 92 zaken. Niet erg veel, maar het geeft wel een beeld. Daar kan de politie veel baat bij hebben. Van oude zaken leer je hoe je in de toekomst naar zaken kunt kijken.

De forensisch archeologen van het NFI dragen ook bij aan de Research & Development van het team Bijzondere Zoekingen. Samen introduceren en valideren ze nieuwe geofysische methoden op een betrouwbare manier zodat deze in de praktijk ingezet kunnen worden. Struik: “Wij lopen in ons werk tegen allerlei onderzoeksvragen op. Die zou je willen testen, maar dan dient de volgende zaak zich alweer aan. Dat is frustrerend.” Als voorbeeld noemt ze de grondradar. “De inzet van de grondradar zouden we graag testen in combinatie met andere geofysische methoden, om te onderzoeken of dat meer oplevert. Het NFI heeft een groot, wetenschappelijk netwerk en de ruimte om dergelijk  onderzoek te doen en kennis met ons te delen.”

Team Bijzondere Zoekingen

Team Bijzondere Zoekingen maakt deel uit van het Landelijk Forensisch Service Centrum (LFSC) van de Landelijke Eenheid. Het team is gespecialiseerd in het zoeken naar vermiste personen en het coördineren en ondersteunen van complexe zoekingen. Het team beschikt over specialistische apparatuur en expertise die verder niet binnen de Nationale Politie aanwezig is. Middelen zoals een grondradar, magnetometer en verschillende typen sonar kunnen worden ingezet bij de zoektocht naar onder meer vermiste personen in de grond en in het water.

Kennis delen

Het NFI en Bijzondere Zoekingen maken bovendien deel uit van een ENFSI groep Forensische Archeologie met achttien landen en in totaal 31 instituten. Groen is daar voorzitter van. “In Nederland hebben we de capaciteit om dit fulltime te doen bij een forensisch instituut. Niet in alle Europese landen is forensische archeologie een apart deskundigheidsgebied. Vee landen maken de vertaalslag tussen de reguliere archeologie en forensisch onderzoek nog niet. Dat komt wel steeds meer.” Groen pakt daarom op Europees niveau zijn een rol. Daarnaast publiceert hij wetenschappelijke artikelen en schrijft hij boeken over het vakgebied om zijn kennis te delen.

Jitteke Struik en een collega tijdens een training met de grondradar op de Oakridge decomposition facility in Knoxville (VS)

De forensisch archeologen en Bijzondere Zoekingen werken inmiddels steeds nauwer samen. Groen: “Als we vroeg betrokken zijn, kunnen we meedenken over de zoekstrategie en kunnen we sporen op de juiste manier verzamelen, zodat je die niet over hoofd ziet of besmet. Het NFI kan de politie directer ondersteunen door meer verweven te raken in het opsporingsproces.” Daarnaast is binnen de reguliere archeologie al nagedacht over het reconstrueren van handelingen aan de hand van het sporenbeeld, maar deze kennis is niet goed genoeg vertaald naar de forensische wereld. “Daar hebben wij ook een rol als NFI.”

Winst behalen

In de zoektocht naar begraven lichamen biedt een breed scala aan specialismes perspectief. Het idee is daarom om een landelijk opererend team op te richten, zoals het LTOZ, waar zowel de forensisch archeologen van het NFI, de specialisten van Bijzondere Zoekingen, de begeleiders van speurhonden, gedragsdeskundigen en geoprofilers samenwerken. Als een zaak jarenlang op de plank ligt omdat de tactische informatiestroom is opgedroogd, kun je met die verschillende disciplines nog een laatste keer een zaak bekijken. Vanuit psychologisch aspect, vanuit bodemaspect en bijvoorbeeld digitaal. “Het zoekgebied kan groot zijn. Op basis van statistiek, visualisatie van het gebied en de kennis uit de criminalistiek waar mensen mogelijk een lichaam begraven, kun je een gebiedselectie maken die bij alle specialismes goed scoort”, aldus Struik. “Ik zou graag naar zo’n samenwerking toe willen. Daar liggen kansen en is winst te behalen.”