Tekst Meike Willebrands
Foto Fotodienst NFI

De Chemie-pack brand in Moerdijk waarbij veel chemicaliën vrijkwamen. De dodelijke slachtoffers in Engeland na vergiftiging met het zenuwgas Novitsjok. De Russische spion Alexander Litvinenko die overleed na een paar milligram radioactief Polonium 210 in zijn thee. Zomaar een greep uit gevaarlijke incidenten waar forensisch onderzoekers aan blootgesteld kunnen worden. Kan forensisch onderzoek onder deze omstandigheden veilig gebeuren zonder dat belangrijke sporen verloren gaan? Matthijs Zuidberg, wetenschappelijk onderzoeker en stralingsdeskundige bij het NFI, deed onderzoek aan ontsmetting van forensische sporen en vond een oplossing.

Zuidberg zijn onderzoek vond plaats binnen het project GIFT, dat zich richt op het doen van complexe onderzoeken op een CBRN (Chemisch, Biologisch, Radiologisch en Nucleair) besmet plaats delict (PD).

Hoewel het zeldzame situaties zijn, komen aanslagen met chemische, biologische of radiologische wapens en forensisch onderzoek op ernstig besmette PD's wel voor. De noodzaak voor forensisch onderzoek naar CBRN- incidenten is de afgelopen jaren door onder meer de genoemde incidenten toegenomen. De veiligheid van de forensisch onderzoekers moet bij dergelijke incidenten voorop staan, maar het behoud van bruikbare forensische sporen niet in de weg zitten. Bij de brand bij Chemie-pack in Moerdijk bijvoorbeeld had het NFI daarom een adviserende rol. Deskundigen waren aanwezig om de veiligheid van de mensen ter plaatse te waarborgen en adviseerden tegelijkertijd hoe onderzoekers de sporen zo goed mogelijk in tact konden houden voor verder onderzoek.

Matthijs Zuidberg, wetenschappelijk onderzoeker en stralingsdeskundige.

Die combinatie is vaak een spanningsveld. Forensisch onderzoekers halen interessante sporen nu zo goed mogelijk van de PD, waarna die voor forensisch onderzoek naar een politielab of het NFI worden gestuurd. “Maar eigenlijk kan niemand het onderzoek aan deze stukken van overtuiging  (bewijsstukken) doen omdat het veel te gevaarlijk is”, laat Zuidberg weten.

“De chemische stoffen zijn vaak zo gevaarlijk dat het al in een heel kleine hoeveelheid dodelijk kan zijn. Daarom is ontsmetting zo belangrijk”

Ontsmetting van materialen

Medewerkers in forensische laboratoria kunnen hun werk pas doen als de gevaarlijke stoffen niet meer op mogelijk bewijsmateriaal zitten. Maar het probleem met de huidige apparaten is volgens de wetenschapper dat ze niet gevoelig genoeg kunnen detecteren of er nog sprake is van besmetting en of bewijsmateriaal wel echt schoon is. “Dat is een risico. De chemische stoffen zijn vaak zo gevaarlijk dat het al in een heel kleine hoeveelheid dodelijk kan zijn. Daarom is ontsmetting zo belangrijk.” Hoewel veel onderzoekers bang zijn dat ontsmetting van materialen forensische sporen zoals vingerafdrukken vernietigt, heeft het onderzoek van Zuidberg aangetoond dat het wel een goede optie kan zijn.

De wetenschapper heeft zich verdiept in een veelbelovende ontsmettingstechniek. Een apparaat dat al gebruikt wordt in het Duitse leger. “Te vergelijken met een grote vaatwasser”, zegt Zuidberg. “Het apparaat verhoogt de temperatuur en verlaagt de druk. Daardoor verdampen alle chemicaliën. Een sterk oxiderend middel maakt eventueel aanwezige schadelijke bacteriën kapot. In het Duitse leger gebruiken ze het apparaat om machinegeweren en andere dure apparatuur binnen het leger schoon te maken.” Zuidberg spreekt van zeer hoopgevende resultaten voor de forensische wereld.

In het Duitse leger gebruiken ze het apparaat om machinegeweren en andere dure apparatuur binnen het leger schoon te maken.

Schoon resultaat

Zuidberg heeft uitgebreid onderzocht wat er met forensisch interessante sporen zoals vingerafdrukken en DNA gebeurt onder de omstandigheden van hoge temperaturen en lage druk. Tot zijn opluchting blijven die in tact en worden chemicaliën en bacteriën volledig vernietigd. Het resultaat is zelfs zeer schoon. Het NFI heeft de apparaten nog niet in huis, maar daar komt wat Zuidberg betreft snel verandering in.

Samen met de Duitsers probeert hij de veelbelovende techniek nu de forensische wereld in te trekken. Het Duitse leger heeft twee van de commerciële apparaten staan. Tot op heden zijn die onbekend in het forensische domein, maar ze kunnen volgens de wetenschapper een belangrijke bijdrage leveren in het wegnemen van de angst of ‘schoon’ bewijsmateriaal echt schoon genoeg is.

Toolbox

Het onderzoek naar de ontsmettingsmethode is onderdeel van het project GIFT (Generic Integrated Forensic Toolbox), dat nieuwe bemonstering- en meetstrategieën ontwikkelt om op besmette materialen en plaatsen delict toch forensisch onderzoek te kunnen doen. Het project richt zich op het ontwikkelen van methoden voor onderzoek aan besmette sporen en het identificeren van CBRN-middelen. Deze Europese samenwerking van 21 partners met verschillende expertisegebieden uit negen landen met het NFI als aanvoerder, heeft als eindresultaat een speciale toolbox ontwikkeld. De toolbox helpt om forensisch bewijs te vergaren dat een belangrijke rol kan spelen bij de strafrechtelijke vervolging na CBRN-incidenten. Naast Zuidberg, hebben verschillende andere NFI medewerkers een bijdrage geleverd aan het in 2014 gestarte GIFT-project.

Het is belangrijk om de kennis over de ontsmettingstechniek breed te delen, benadrukt Zuidberg. Hij heeft het product daarom onlangs gepresenteerd tijdens het Australische congres ANZFFS (Australian and New Zealand Forensic Science Society). De ontsmettingsapparaten kunnen bovendien helpen om de keten te ontlasten, denkt de wetenschapper. “Als er plots gevaarlijke, ernstig besmette bewijsstukken binnenkomen, moet je daar als NFI mee overweg kunnen. Nu zeggen we vaak ga maar naar RIVM of TNO, dat is forensisch gezien niet wenselijk. Als die apparaten bij het NFI komen te staan, kunnen we zelf onderzoek doen.”

Zuidberg hoopt hier binnenkort ook over te publiceren.