Tekst Christel van der Meer

Die ene zaak. Die ene zaak waar een NFI’er nog weleens aan terugdenkt. Die ene zaak, omdat-ie zo bijzonder, interessant of leerzaam was. Charles Willemsen was ruim dertien jaar lang sectie-assistent en vertelt over de zaak die hij niet zomaar zal vergeten. “Toen ik de begrafenisondernemer met twee brancards zag aankomen, keek ik wel even gek op: hij zou toch maar één lichaam brengen?”

Dat je hoort dat je geen afscheid kan nemen... Dat moet vreselijk zijn.

“Het was op een zaterdagavond ruim vijftien jaar geleden toen ik werd gebeld of ik de volgende ochtend bij een sectie kon assisteren. Tijdens een sectie onderzoekt de patholoog de doodsoorzaak van een slachtoffer bij het vermoeden van een misdrijf. De sectieassistenten en -fotograaf ondersteunen  daarbij. Die ochtend assisteren was voor mij geen enkel probleem, want ik moest toch al op het NFI zijn voor een andere sectie. De begrafenisondernemer bracht de volgende ochtend het lichaam naar het NFI en toen stonden mijn collega en ik wel even met onze ogen te knipperen: hij kwam niet één maar twee brancards brengen. Dat was opmerkelijk want in de korte briefing die de politie had gegeven, werd toch echt gesproken over één lichaam. Maar er stonden daar nu wel twee brancards, dus hoe kon dat?

Wij kregen eerst te horen dat het om een steekpartij zou gaan, mogelijk met een ingeslagen schedel. Dan stel je je daar op in. Maar al snel werd meer duidelijk: we kregen informatie van de agenten die bij de sectie aanwezig zouden zijn. Ze wezen naar de brancards en zeiden: ‘Op die ene ligt het lichaam van het slachtoffer, op de ander ligt de huid.’

Ernstig toegetakeld

De vrouw was niet alleen om het leven gebracht door haar verwarde zoon, hij had haar ook gevild. Ze was zo ernstig toegetakeld dat politieagenten tegen de nabestaanden hadden gezegd dat ze geen afscheid meer van haar konden nemen. Dat moet vreselijk zijn. Dan krijg je eerst te horen dat een dierbare door iemand anders om het leven is gebracht én dan kan je daarna ook geen afscheid nemen omdat het lichaam niet meer toonbaar is.

Toonbaar maken is een van de taken van een sectieassissent. Je ondersteunt de patholoog tijdens een sectie: je maakt het lichaam open, prepareert de organen uit zodat deze onderzocht kunnen worden en zorgt ervoor dat het lichaam weer schoon en netjes is voor de nabestaanden. We wassen bijvoorbeeld het bloed uit de haren en plakken of naaien wondjes dicht en plakken een pleister op de kapotte huid. Je werkt bovendien heel voorzichtig, omdat je de huid niet onbedoeld wil beschadigen. Ook in deze zaak wilden we alles op alles zetten om het slachtoffer weer toonbaar te maken. Dat lukte. Maar we hadden er langer de tijd voor nodig omdat we grote delen van de huid aan elkaar vast moesten naaien.

Tóch een afscheid

Het geeft voldoening als het lukt om een slachtoffer weer netjes terug te geven aan de nabestaanden. Ook voor deze nabestaanden was dat heel bijzonder. De politie liet vlak na het misdrijf aan hen weten dat ze haar niet meer konden zien, omdat ze te erg was toegetakeld. Dat de agenten dit dachten, snap ik volkomen. Zij zien veel bloed en weten misschien niet altijd wat wij als sectieassistenten kunnen. Dat het voor de nabestaanden dan tóch mogelijk is om afscheid te nemen van de vrouw, daar doe je het voor. Dat bleef overigens ook niet onopgemerkt: niet veel later zocht de familie contact om ons te bedanken voor dit werk. Dat voelde goed. Mensen weten je over het algemeen sneller te vinden als ze iets te klagen hebben, niet dat dat in dit werk vaak voorkwam, maar dan is het extra motiverend als iemand je werk weet te waarderen.

Na al die jaren zal ik deze zaak niet zomaar vergeten, maar ik probeer ook wel afstand te bewaren. Voor mij werkt het om lichamen als onderzoeksobjecten te zien. Klinkt misschien raar, maar je hebt er geen emotionele band mee. Maar in mijn achterhoofd zit wel altijd het besef dat je het slachtoffer voor de nabestaanden op een nette manier wil teruggeven.

Ik heb dit werk ruim dertien jaar gedaan, maar inmiddels al lange tijd niet meer. Het is fysiek ontzettend zwaar werk, onderschat dat niet. Het is lang staan en veel tillen. Wij tillen de lichamen namelijk van de brancards op de onderzoekstafel. Het is en blijft een mooi vak, waar je bijdraagt aan het oplossen van zaken. Dat vind ik nog steeds heel bijzonder.”

Charles Willemsen begon als 21-jarige bij het NFI als sectieassistent. Hij is nu 48 jaar oud en werkt inmiddels bij Plaats Delict Ondersteuning, waar hij de deskundigen van het NFI helpt bij het onderzoek op de plaats delict.