Tekst Christel van der Meer

Het bekende briefje van tramschutter Gökmen T. en het dagboek van Anne Frank, maar ook een blok kaas en ontplofte kachels. In de tientallen jaren dat fotograaf Frits de Haan (71) bij het NFI (en voorheen het Gerechtelijk Laboratorium) werkte, heeft hij veel bijzondere items gefotografeerd voor onder andere de afdeling Vingersporen. Nu hij met pensioen is, blikt hij terug op zijn carrière.

“Ik wilde niet deugen”, beschrijft hij zichzelf toen hij als tiener zijn middelbare school had afgemaakt, maar eigenlijk geen flauw idee had wat hij daarna moest gaan doen. Zoals veel jonge mannen op die leeftijd ging hij in dienst. Niet dat hij daar heel veel zin in had, maar ja ‘het moest maar’. “Daar zag ik dat ik een vrije dag kon krijgen als ik een studie ging uitzoeken. De enige studie die me wel aansprak was de studie Fotografie. En dat was het moment dat ik besloot om fotograaf te worden”, vertelt hij.

Mode, glamour en mooie vrouwen voor z’n camera waren nou niet per se wat De Haan voor ogen had. Gelukkig voor hem had de MTS-opleiding Fotografie en Fototechniek in Den Haag ook een meer wetenschappelijke opleiding. Daarmee kwam hij in 1976 terecht bij de fotoafdeling van het Gerechtelijk Laboratorium. “De afdeling maakte van alle bewijsstukken foto’s om hun rapporten te illustreren. Van ontplofte kachels, tot kapot gesprongen banden. Maar ook allerlei soorten wapens. Alles wat na een misdrijf binnenkwam voor onderzoek, moest worden vastgelegd”.

Hap uit kaas

Hij herinnert zich nog dat er een groot stuk kaas binnenkwam. “Die hoorde bij een inbraak. De inbreker had honger gekregen tijdens zijn daad en vond in de koelkast een stuk kaas. Daar heeft hij een hap uitgenomen. Ik moest die hap vastleggen, omdat de politie hoopte later een verdachte via zijn gebit aan dat stuk kaas te kunnen koppelen”, beschrijft hij lachend. 
 

De Haan fotografeert een vingerspoor op een wapen.

De onderwerpen die hij fotografeerde waren heel divers. “Zo heb ik na het beëindigen van de treinkaping bij De Punt in 1977 alle wapens van de gijzelnemers op de foto moeten zetten. Dat was een behoorlijke klus waar de fotodienst een heel weekend mee bezig was.” Ook stond hij met het dagboek van Anne Frank in zijn handen. “Voor vergelijkend handschriftonderzoek moest ik daar foto’s van maken. Dat  was heel bijzonder.” Of de handschriften inderdaad allebei van Anne Frank waren, weet hij niet. “Het waren twee verschillende handschriften, maar ik heb er ook totaal geen verstand van, ik leg alleen maar vast!”

Vreugde en verderf

In het begin van zijn carrière werkte hij deels voor het Gerechtelijk Laboratorium en deels voor zichzelf als fotograaf op bruiloften. Een vrij tegenstrijdige combinatie, die voor hem goed werkte. “Bij het een ging het over vreugde en het leven, bij de ander over dood en verderf. In die tijd vroeg ik ook altijd waar een zaak over ging. Ik wilde weten wat er gebeurd was. Het ging natuurlijk altijd over narigheid en verdrietige dingen. De afwisseling met de gezelligheid van een trouwerij vond ik prettig.”

Sinds 2000 werkt De Haan bij de afdeling Vingersporen van het NFI en daar fotografeert hij vingersporen. Sindsdien werkt hij ook met een digitale camera, want daarvoor ging alles nog analoog. Zijn collega’s op het laboratorium zoeken met verschillende technieken naar een vingerspoor. De Haan legt deze sporen vast. “De foto’s zijn nodig om een vingerspoor in te voeren in de Vingersporendatabank of om te vergelijken met een referentieafdruk van bijvoorbeeld een verdachte”, legt hij uit. Een vingerspoor heeft bepaalde kenmerken en eigenschappen waardoor je het met andere vingersporen kunt vergelijken.

De foto is essentieel voor doorzoeken van de databank en het vergelijken van een vingersporen met een vingerafdruk. “Ik kan een goede foto maken mede dankzij mijn collega’s op het lab die een spoor zo duidelijk mogelijk hebben opgewerkt. Maar ook de nabewerking speelt een belangrijke rol”, zegt hij. Dat betekent niet dat de nabewerking een soort toverstaf is waarmee ineens van alles zichtbaar wordt. “Sporen die er niet zijn, kan ik er niet bij gaan tekenen. Maar ik kan wel eruit halen wat erin zit. Ik probeer  het spoor zo vast te leggen dat het op de best mogelijke manier zichtbaar is.”

Zo onderzoekt het NFI vingersporen

Een vingerspoor is trouwens niet hetzelfde als een vingerafdruk. Het spoor dat een verdachte achterlaat op een plaats delict of bewijsstuk zoals een mes of papier, noemen forensisch onderzoekers een vingerspoor. Een vingerafdruk is de afdruk die je in inkt zet bij de politie.

Eerst kijken labmedewerkers van Vingersporen met verschillende lichtbronnen (onder andere wit en gekleurd licht) of  een vingerspoor te zien is op het bewijsstuk. Als dat het geval is, legt de fotograaf dit vast. Daarna proberen de labmedewerkers met verschillende technieken om het spoor nog duidelijker zichtbaar te krijgen of nieuwe vingersporen te detecteren.

Verschillende ondergronden vragen verschillende soorten technieken om een vingerspoor zichtbaar te maken. Zit de afdruk op een poreuze ondergrond zoals papier, dan behandelen labmedewerkers van Vingersporen het papier met een chemische oplossing. De aanwezige bestandsdelen in het vingerspoor reageren daarmee en krijgen een paarse of roze kleur en zijn zo beter zichtbaar. Zit het spoor op niet poreuze ondergrond, zoals een mes of wapen, dan gaat dit bewijsstuk in een kast met dampen van secondelijm (cyanoacrylaat). Hierdoor wordt het vingerspoor wit en is het beter te zien.

Enkele dactyloscopische kenmerken in vingersporen.

Bollingen en glas: altijd lastig

Het lastige van vingersporen vastleggen is dat ze altijd op dezelfde manier vastgelegd moeten worden: met de camera loodrecht boven het spoor. “Stel je zet met je duim een afdruk op je mobiele telefoon. Dan zie je dat vingerspoor alleen als je je telefoon schuin houdt. En daar wordt het dus een uitdaging voor mij, want ik kan alleen iets recht van boven fotograferen”, schetst hij. Om het spoor dan recht op de foto te krijgen, heeft hij een speciale lens waarbij hij schuin fotografeert zonder dat er vertekening optreedt. Maar ook bij een bolling, zoals een kogelhuls, is het volgens de fotograaf lastig om het hele spoor in één opname scherp te krijgen. “Omdat de sporen recht moeten zijn om ze te kunnen vergelijken, fotografeer ik het spoor dan in meerdere opnamen.”

“Verder is glas niet gemakkelijk, zeker omdat dit aan alle kanten spiegelt en je dus niet jezelf of de camera wil terugzien op de foto. Gelukkig zijn er wel trucjes zodat het tóch lukt. Ultraviolet licht gaat bijvoorbeeld niet door glas heen, het glas wordt door dit licht ondoorzichtig waardoor het spoor zichtbaar wordt”, legt hij uit. Zo heeft hij talloze trucjes waardoor het toch mogelijk wordt om sporen vast te leggen. Van halfdoorlaatbare spiegels voor de lens, tot stukjes papier in een glas. Het was soms heel vaak proberen om het spoor te fotograferen, maar in al die jaren lukte het altijd. “Ik heb nooit gehad dat ik iets niet kon vastleggen”, vertelt hij zichtbaar trots.

Gefotografeerde vingersporen.

Ging het in zijn werk dan altijd goed? “Bíjna altijd!” Hij schiet in de lach als hij over een kleine blunder praat. “Ik moest ooit een masker zoals uit de film Scream fotograferen. Dat masker is van plastic en toen ik daar een lamp op zette om het spoor te fotograferen, zag ik het masker smelten en zat er ineens een gekke deuk in”, beschrijft hij. Gelukkig taste dat niet het vingerspoor aan en kon hij die wel gewoon vastleggen. "Maar onhandig vond ik het wel."

Ruim twee decennia werkte hij voor Vingersporen en nooit heeft hij behoefte gevoeld om over te stappen naar een andere afdeling binnen het NFI. Mede door de leuke collega’s (“zij zijn mijn familie”), maar ook zeker door wat hij noemt ‘het geneuzel op de vierkante centimeter’. “Je zit echt met je neus heel dicht op dat vingerspoor, dat gepriegel vind ik prachtig.”

Briefje tramschutter

Hij is dan ook niet bezig met de context van de zaak. “Vroeger wilde ik weten wat voor zaak het was, bij Vingersporen had ik dat helemaal niet. Zo moest ik ooit een vingerspoor fotograferen op een briefje dat was gevonden in de vluchtauto van tramschutter Gökmen T.. Dat briefje heb ik gefotografeerd, maar ik heb nooit de tekst erop gelezen. Ik kan niet zeggen wat er stond, want ik lees dat op dat moment niet. Ik ben veel te druk bezig met het spoor vastleggen. Dat is toch bizar?! Maar misschien is dit wel wat ze complete toewijding noemen...” Pas later besefte hij dat het briefje afkomstig was uit de zaak van Gökmen T..

Wie denkt dat hij nu lekker tijdens zijn pensioen gaat fotograferen, komt bedrogen uit. “Haha, absoluut niet! Ik heb nooit een camera bij me. Ook niet op vakanties.” Maar het werken met  beelden kan hij, tussen het golfen door, niet helemaal loslaten. “Ik wil wel leren om filmpjes te maken, dus misschien schaf ik wel een videocamera aan om mijn vrije pensioendagen mee te vullen.” Hoewel hij de fotocamera niet zo zeer gaat missen, geldt dat wel voor zijn collega’s. “Ja, ik vind het jammer dat ik niet meer dagelijks met hen werk.”