Dit artikel hoort bij: @NFI 37

Textielvezels als stille getuigen

Tekst Meike Willebrands

Vezels zijn als bacteriën: de kleine textieldeeltjes verspreiden zich snel en makkelijk. Niet gek dus dat vezels regelmatig opduiken als bewijs in strafzaken. Linda Alewijnse, deskundige Microsporen en Materialen bij het NFI, weet alles van vezels. Ze zoekt ze, vergelijkt ze en bepaalt de zeldzaamheid ervan. Is dat ene vezeltje op een mes dezelfde als de vezels waaruit de kleding van het slachtoffer bestaat? Of: komen de vezels uit de kofferbak van een auto overeen met de vezels uit de kleding van een slachtoffer? De zaken waar ze aan werkt, zijn duister: vaak moordzaken. “’Ha, ik heb je!’ denk ik als ik honderden vezels langs ga met mijn microscoop en dat ene roze vezeltje vind.”

“Mijn werk bestaat voor een groot deel uit kijken of vezels zijn overgedragen. Daar zoek ik naar en als ik ze vind, probeer ik ze te duiden”, licht Alewijnse toe. Op jaarbasis doet het NFI ongeveer honderd vezelonderzoeken. Vezelonderzoek is een onderdeel van Microsporen en Materialen, waar meerdere deskundigheidsgebieden onder vallen zoals glasonderzoek en verfonderzoek. “Je kunt je niet voorstellen hoe snel vezels zich verspreiden, ze zijn overal. Maar zijn ze nou typisch of juist veelvoorkomend? Dat zoek ik uit.” Een andere belangrijke vraag die regelmatig bij haar onderzoek komt kijken, is hóe vezels ergens terecht zijn gekomen, een vraag op het zogeheten ‘activiteitniveau’. Zijn de vezels op de bumper van een auto er op gekomen door een aanrijding met een persoon, of door het poetsen van de auto? Dat geeft een ander sporenbeeld.

Linda Alewijnse achter de microscoop op het lab.

Steekincidenten

Alewijnse vertelt dat het gros van haar zaken steekincidenten zijn. Stel, iemand is neergestoken en verderop in de bosjes wordt een mes gevonden. Dan wordt eerst gekeken of er bloed van het slachtoffer op zit. Of vingersporen van de mogelijke dader. “Als het mes lang buiten heeft gelegen, is afgewassen of  in een sloot heeft gelegen, zijn DNA en vingersporen lastig te vinden. Maar ik vind vaak wel nog vezels. Die blijven goed zitten in oneffenheden en groeven.” De vraag die de deskundige beantwoordt, is: passen de vezels op het lemmet bij de kleding van het slachtoffer? Ofwel: hoe waarschijnlijk is het dat er met dit mes is gestoken?

Andere zaken waar ze aan werkt zijn aanranding- of verkrachtingszaken. Dan kijkt ze vaak naar de kleding van de verdachte: zijn er vezels overgedragen op het slachtoffer? Die overdracht kan verraden dat er fysiek contact is geweest tussen beide personen. Dat kan interessant zijn als de verdachte dat ontkent. Die kan bijvoorbeeld beweren dat de vezel er is opgewaaid. Als dat verweer komt, kan Alewijnse de wederzijdse overdracht bekijken: dus vind je op zowel de kleding van de verdachte als het slachtoffer vezels van elkaars kleding terug? Als dat zo is, is dat sterker bewijs. “Ik beoordeel ook hoe zeldzaam de vezels zijn. Een gele wolvezel komt minder voor dan bijvoorbeeld een blauwe katoenvezel uit een spijkerbroek. Dat neem ik mee in mijn oordeel.” De deskundige komt tot haar oordeel op basis van ervaring en statistiek. Zo zijn er interessante onderzoeken gedaan naar het aantal en type vezels dat je terugvindt op bioscoopstoelen, vingernagels en witte t-shirts. Die zijn eraf gehaald en geteld om te zien wat vaak en minder vaak voorkomt. 

Kleding is persoonlijk

“Kleding van een persoon is heel wezenlijk, en persoonlijk”, vindt Alewijnse. “Ik zoom erg in op de structuur van de kleding, het type materiaal, de kleur. Soms vind je nog munten of mondkapje in een broekzak. Dat het persoonlijk is, geeft mijn werk nog meer kleur.”

Secuur zijn, oog voor kwaliteit hebben en een kritische blik. Dat zijn volgens de deskundige de meest in het oog springende vereisten om haar vak goed uit te voeren. “Ook moet je geduld hebben”, lacht ze. De context van de zaak is belangrijk voor haar werk. Zeker als het gaat om overdrachtsprincipes. “Ik kijk naar de plaats waar iemand zat in een auto: was de verdachte de bestuurder of bijrijder? Die vraag is van belang voor de schuldvraag, bijvoorbeeld bij een ernstig ongeluk. Bij een harde klap versmelten de vezels en kan je die vaak terugvinden. Ik onderzoek dan of vezeltjes bijvoorbeeld versmolten zitten in het dashboard, of aan het stuur."

'Hoe zeldzamer de kleur van de vezel, hoe sterker de bewijswaarde.'

Dodelijke aanrijding

Als iemand doorrijdt na een aanrijding en ontkent betrokken te zijn, zouden vezels op een bumper nog het nodige kunnen onthullen. Even geleden werkte Alewijnse aan zo’n trieste zaak, met succes. In Rotterdam was een jong slachtoffer doodgereden bij een voetgangersoversteekplaats. De verdachte ontkende betrokken te zijn bij het ongeluk, maar zijn auto was wel als verdacht in beeld gekomen bij de politie. Daarop is de bumper naar NFI gekomen voor onderzoek. “Het begint met goed kijken naar de beschadigingen in de bumper, dan zoom ik in op plaats van de impact. Het blijft bijzonder als je resultaat hebt en minuscule vezeltjes aantreft. Als je dat hele kleine stukje bewijs kunt terugbrengen naar het grotere plaatje.” In deze zaak wist Alewijnse vezels op de bumper van de auto te koppelen aan de broek van het overleden slachtoffer. “Ik heb de uitspraak van de rechter met veel interesse gevolgd”, vertelt ze. “De verdachte werd veroordeeld tot een celstraf en zijn rijbewijs is tijdelijk afgepakt. Dat ik een stukje heb geleverd aan de puzzel geeft veel voldoening.”

Wit katoen

Roze vezels, gele vezels, wollen truien, bivakmutsen: stoffen waar Alewijnse doorgaans blij van wordt. Wit katoen en spijkerstof zijn daarentegen haar vijanden in een onderzoek. “Daar kan ik weinig mee, omdat die heel veel voorkomen”, laat ze weten. “De regel is: hoe vaker het voorkomt, hoe minder sterk de bewijswaarde. Hoe zeldzamer, hoe sterker.” Bovendien kunnen twee kleuren textiel heel erg op elkaar lijken, maar zijn de vezels die daar in verwerkt zijn niet hetzelfde. “Een zwarte legging van H&M kan ogenschijnlijk lijken op de zwarte legging van Zara, maar de samenstelling van die kleur, dus hoe deze is opgebouwd, hoeft niet hetzelfde te zijn. Ook dat kunnen we onderzoeken.”

De wetenschap staat ook bij Microsporen en Materialen niet stil. Om de deskundigen een handje bij hun werk te helpen, komt begin volgend jaar een nieuw apparaat naar het NFI dat in Europees verband is ontwikkeld: de SHUTTLE toolkit. Een prototype waarmee de deskundigen van microsporen een stuk tape met vezels erop kunnen fotograferen en kunnen inzoomen om de vezeltjes goed zichtbaar te maken. “We kunnen straks met één apparaat en bijbehorende software de vezels zoeken, vergelijken, in een database zetten én de zeldzaamheid bepalen.” Dat gaat het team naar verwachting veel tijdswinst, capaciteit en nieuwe inzichten opleveren. 

Verfspetters en gaten

Alewijnse bekent dat ze vaak eerst naar mensen hun kleding kijkt en meteen een snelle scan doet. “Soms zie ik een unieke stof en denk ik: die zou mijn onderzoek makkelijk maken”, lacht ze. “Ook kijk ik met verbazing naar beschadigingen in kleding. Spijkerbroeken met gaten erin, open knieën, verfspetters. Ik vind het nog steeds gek dat ze die beschadigingen aanbrengen in een nieuw kledingstuk. In mijn werk betekent zoiets meestal een steekgat of ongeluk. Door die trends loopt dat nog weleens door elkaar. Het hoeft dus helemaal geen spoor te zijn. Gelukkig kunnen we dat verschil microscopisch goed zien.”